check

Online Exam Module 4: Program Design

Aventuz-Academy Online Exam Module 4: Program Design

Mentor: Dhr. Arne Jaspers

Click the button below to start.

Start

Question 1 of 63

1.         Bij het analyseren van GPS-data van een professionele voetballer gedurende een mesocyclus observeer je een dalende trend in high-speed running distance (HSRD), ondanks een stabiele trainingsbelasting. Welke multifactoriële aanpak is het meest geschikt?

 

A

A. Focus uitsluitend op tactische training tot de HSRD normaliseert

B

B. Verhoog de trainingsintensiteit om de HSRD te herstellen

C

C. Compenseer het gebrek aan core-stabiliteit door de trainingsintensiteit te verhogen.

D

D. Focus op andere sterke punten van de atleet.

Question 2 of 63

2. Een duursporter heeft een lactaatdrempel bij 75% van VO₂max. Welke interventie is volgens de huidige evidence het meest effectief om de lactaatdrempel te verhogen?

 

A

A. Alleen lange duurtrainingen net onder de drempel

B

B. Uitsluitend high-intensity interval training boven de drempel

C

C. Dagelijks drempelintervallen tot uitputting

D

D. Een gepolariseerd trainingsmodel met ±80% laag intensief en ±20% hoog intensief

Question 3 of 63

3. In de context van gecombineerde training (kracht + uithoudingsvermogen): welk mechanisme wordt primair verantwoordelijk gehouden voor het interference effect? 

A

A. Overtraining door een verhoogd totaal trainingsvolume

B

B. Conflicterende cellulaire signalering tussen AMPK- (endurance) en mTOR- (hypertrofie) pathways

C

C. Verminderde eiwitsynthese door verhoogde cortisolspiegels

D

D. Glycogeendepletie na duurtraining

Question 4 of 63

4. Wat is een essentiële eerste stap in het proces van het stellen van korte- en langetermijndoelen volgens de principes van sportcoaching? 

A

Het kiezen van doelen die gemakkelijk te bereiken zijn om het zelfvertrouwen te vergroten

B

2. Het identificeren van specifieke, meetbare doelen die duidelijk omschreven zijn en meetbare criteria voor succes hebben

C

Het vaststellen van zoveel mogelijk doelen om de kans op succes te maximaliseren

D

Het focussen op algemene, niet-specifieke doelen om flexibiliteit in training te behouden

Question 5 of 63

5. Welke van de volgende aspecten wordt beschouwd als cruciaal voor het behouden welke van motivatie en het bereiken van gestelde doelen in sportcoaching?

 

A

Het uitsluitend instellen van langetermijndoelen om de uiteindelijke dromen van een atleet te realiseren

B

Het vermijden van elke vorm van evaluatie of monitoring van voortgang om druk op de atleet te verminderen

C

Het belonen van mijlpalen en het cultiveren van positieve zelfspraak om intrinsieke motivatie te versterken

D

Het negeren van de behoefte aan zelfregulering en volharding, aangezien deze niet relevant zijn voor sportprestaties

Question 6 of 63

6. Een basketbalspeler heeft een force-velocityprofiel dat een “speed-deficit” aantoont. Welke trainingsmethode krijgt prioriteit? 

A

A. Hypertrofietraining met matige loads

B

B. Maximale krachttraining met 90%+ 1RM

C

C. Isometrische training op specifieke gewrichtshoeken

D

D. Ballistische en plyometrische oefeningen met minimale externe belasting (hoge snelheid)

Question 7 of 63

7.  Wat is een cruciale stap bij het analyseren van de trainingshistorie van een atleet om een effectief trainingsprogramma te ontwerpen?

A

Het vaststellen van een standaard trainingsregime dat voor alle atleten geldt

B

Het analyseren van eerdere trainingsmethoden, frequentie, en intensiteit om de vooruitgang en stagnatiepunten te identificeren

C

Het kiezen van trainingsmethoden die momenteel populair zijn in de sportwereld, ongeacht de historie van de atleet

D

Het negeren van de prestatiegeschiedenis, aangezien huidige fysieke capaciteiten belangrijker zijn

Question 8 of 63

8. Bij het ontwerpen van een deloadweek binnen een mesocyclus: welke benadering is het meest evidence-based om adaptaties te behouden terwijl vermoeidheid afneemt? 

A

A. Verlaag zowel volume als intensiteit met 50%

B

B. Verlaag het volume met 40–60% terwijl de intensiteit behouden blijft

C

C. Schrap alle training voor volledige recovery

D

D. Verlaag de intensiteit met 50% terwijl het volume behouden blijft

Question 9 of 63

9. Een triatleet vertoont consistent een verhoogde rusthartslag en een verlaagde HRV gedurende een mesocyclus. Wat is de meest gepaste respons volgens evidence-based load monitoring? 

A

A. Verhoog de trainingsintensiteit om supercompensatie te forceren

B

B. Zet het geplande programma door omdat HRV onbetrouwbaar is

C

D. Implementeer een herstel-georiënteerde microcyclus en heroverweeg de training–herstelbalans

D

C. Schakel uitsluitend over naar cross-trainingmodaliteiten

Question 10 of 63

10. Welk instrument wordt aanbevolen voor het beoordelen van bewegingskwaliteit bij atleten om risicofactoren voor blessures te identificeren? 

 

A

Functional Movement Screen (FMS)

B

Body Mass Index (BMI) meting

C

Bloeddrukmeter

D

Snelheidstest

Question 11 of 63

11. Hoe moeten de resultaten van een bewegingsscreening idealiter worden gebruikt volgens de tekst? 

 

A

Om het trainingsprogramma aan te passen en specifieke bewegingsbeperkingen en risicofactoren aan te pakken

B

Om atleten te selecteren voor competitieve evenementen

C

Om de voedingsbehoeften van atleten te bepalen

D

Als de enige methode voor het diagnosticeren van medische aandoeningen

Question 12 of 63

12.  Wat vertegenwoordigt de 'S' in een SWOT-analyse uitgevoerd voor atleten? 

A

Snelheid

B

Souplesse

C

Sterktes

D

Strategieën

Question 13 of 63

13. Hoe kan een SWOT-analyse bijdragen aan blessurepreventie in sportcoaching? 

 

A

Door uitsluitend de focus te leggen op de zwakke punten van de atleet

B

Door nieuwe kansen voor training en ontwikkeling te identificeren

C

Door externe bedreigingen te negeren en zich te richten op interne factoren

D

Door een evenwichtige aanpak die sterke punten benut en zwakke punten verbetert

Question 14 of 63

14. Welke stap wordt aanbevolen na het identificeren van zwakke punten via een SWOT-analyse? 

 

A

Het negeren van zwakke punten om het zelfvertrouwen van de atleet niet te ondermijnen

B

Het richten op uitsluitend sterke punten om verdere verbeteringen te stimuleren

C

Het ontwikkelen van specifieke oefeningen om deze zwakke punten aan te pakken

D

Het verhogen van de trainingsintensiteit zonder aanpassingen te maken

Question 15 of 63

15. Wat beschrijft een macrocyclus in de context van periodisatie in sporttraining?

A

Een specifieke trainingssessie gericht op een technische vaardigheid

B

Een trainingsfase van een week met een gedetailleerd dagelijks plan

C

Een langdurig trainingsplan dat meestal een jaar of een seizoen beslaat

D

Een middellang trainingsblok van enkele weken tot maanden

Question 16 of 63

16. Wat is het primaire doel van een “transmutatieblok” in block periodization voor kracht–poweratleten? 

A

A. Ontwikkeling van aerobe capaciteit

B

B. Maximale hypertrofieontwikkeling

C

C. Verbetering van technische vaardigheid

D

D. Conversie van opgebouwde (algemene) kracht naar sportspecifieke powerexpressie

Question 17 of 63

17. Hoe kan effectieve planning bijdragen aan het succes van een atleet volgens de principes van periodisatie? 

 

A

Door vooraf geplande systematische variaties in trainingsspecificiteit, intensiteit en volume

B

Door alleen de focus op lange termijn doelen te leggen zonder flexibiliteit voor verandering

C

Door een strikte scheiding tussen verschillende trainingscycli te handhaven zonder integratie

D

Door het volledig elimineren van rustperiodes om continue vooruitgang te waarborgen

Question 18 of 63

18. Welk type oefening is cruciaal voor het verbeteren van spierkracht en stabiliteit ter preventie van blessures? 

 

A

Cardiovasculaire oefeningen

B

Kracht- en stabiliteitsoefeningen

C

Pure flexibiliteitsoefeningen

D

Exclusieve focus op aerobe uithoudingsvermogen

Question 19 of 63

19. Welk supplement heeft de sterkste wetenschappelijke onderbouwing voor het verbeteren van repeat-sprint ability in teamsporten? 

A

A. Beta-alanine

B

B. BCAA

C

C. Creatine monohydraat

D

D. Bietensap (nitraten)

Question 20 of 63

20. Welke benadering wordt aanbevolen voor de integratie van voeding in blessurepreventieprogramma's?

A

Minimaliseren van calorie-inname om gewichtsverlies te bevorderen

B

Een dieet rijk aan eiwitten, voldoende koolhydraten en antioxidanten voor spierherstel en algemene gezondheid

C

Volledige eliminatie van vetten uit het dieet

D

Focus op een enkelvoudig voedingsmiddel voor optimale prestaties

Question 21 of 63

21. Wat is  de belangrijkste rol van wearable-technologieën zoals fitness trackers en GPS-apparaten in moderne sportcoaching? 

 

A

Ze worden gebruikt voor het bijhouden van tijd tijdens trainingssessies

B

Ze bieden real-time data over fysiologische en bewegingsparameters van atleten, wat helpt bij het ontwikkelen van gedetailleerde trainingsprogramma's

C

Ze worden uitsluitend gebruikt voor het monitoren van de slaapkwaliteit van atleten

D

Ze zijn nuttig voor het bijhouden van de locatie van atleten tijdens buitentrainingen

Question 22 of 63

22. Hoe draagt videotechnologie bij aan de verbetering van sportprestaties? 

 

A

Door het verstrekken van entertainment tijdens rustperioden om mentaal herstel te bevorderen

B

Het speelt geen significante rol in moderne sportcoaching

C

Door het verbeteren van de marketing en promotie van de atleet via het creëren van hoogwaardige trainings- en wedstrijdvideo's.

D

Door het gebruik van video-analyse en slow-motion om technische aspecten van sportprestaties te evalueren en te verbeteren

Question 23 of 63

23. Bij daily undulating periodization (DUP): welke variabele wordt primair gemanipuleerd tussen sessies binnen dezelfde week? 

A

A. Tempo van uitvoering

B

B. Oefeningselectie

C

C. Rustintervallen

D

D. Intensiteits- en volumezones

Question 24 of 63

24. Waarom is het belangrijk om de prestaties en het welzijn van atleten regelmatig te monitoren?

 

A

Om de trainingstijd te maximaliseren door het elimineren van rustdagen

B

Om de voortgang te begrijpen en tijdig in te grijpen bij tekenen van overtraining of verminderd welzijn

C

Om fysieke prestaties te verbeteren, zonder rekening te houden met mentaal welzijn

D

Om atleten onder druk te zetten voor betere prestaties

Question 25 of 63

25. Welke strategie is effectief om overtraining te voorkomen? 

 

A

Het verhogen van de trainingsintensiteit zonder rustdagen

B

Het negeren van signalen van fysieke vermoeidheid en stress

C

Het toepassen van load management door het plannen van rustdagen en variatie in training

D

Het focussen op één type training zonder variatie

Question 26 of 63

26. Hoe kunnen feedback en datagestuurde aanpassingen bijdragen aan effectieve sportcoaching? 

 

A

Door het gebruik van feedback om training minder vaak aan te passen en stabiliteit te behouden

B

Door prestatiegegevens en welzijnsinformatie te analyseren om trainingsresponsen te begrijpen en aanpassingen te maken

C

Door te vertrouwen op subjectieve feedback van atleten zonder data-analyse

D

Door alle trainingsbeslissingen te baseren op externe meningen buiten het coachingteam

Question 27 of 63

27. Wat is het doel van periodieke evaluatie in sportcoaching? 

 

A

Om de sterke punten van atleten te benadrukken en zwakke punten te negeren

B

Om atleten te straffen voor onvoldoende vooruitgang

C

Om veranderingen in prestaties en welzijn op te merken en indien nodig in te grijpen

D

Om trainingsschema's jaarlijks in plaats van regelmatig aan te passen

Question 28 of 63

28. Wat is een cruciale factor voor het opbouwen van een effectieve communicatie met atleten? Wat is

 

A

Het bevorderen van een open en vertrouwelijke communicatieomgeving

B

Het beperken van communicatie tot kritische feedback

C

Het vermijden van persoonlijke gesprekken

D

Het gebruik van complexe jargon om professionaliteit te tonen

Question 29 of 63

30. Waarom is actief luisteren belangrijk in de context van sportcoaching? Waarom is

 

A

Het helpt coaches om problemen van atleten te negeren en hun eigen agenda door te drukken

B

Het stelt coaches in staat om atleten te begrijpen en adequaat te reageren op hun behoeften en feedback

C

Het is een techniek die alleen nuttig is in teamverband, niet voor individuele sporten

D

Actief luisteren is niet nuttig, het verhoogt de kans op miscommunicatie tussen coaches en atleten

Question 30 of 63

31. Welke marker is het meest sensitief voor het detecteren van vroege overreaching bij duursporters? 

A

A. Verhoogde rusthartslag

B

B. Verlaagde maximale lactaatconcentratie tijdens een incrementele test

C

C. Verhoogde ervaren inspanning (RPE) bij submaximale belasting

D

D. Alle bovenstaande in combinatie

Question 31 of 63

32. Wat is een effectieve methode om een trainingsprogramma aan atleten te presenteren? 

 

A

Uitsluitend mondelinge instructies geven zonder enige visuele ondersteuning

B

Gebruikmaken van visuele hulpmiddelen zoals grafieken, tabellen en grafische afbeeldingen om het programma te verduidelijken

C

Het programma presenteren zonder de theorie achter specifieke oefeningen te verklaren

D

Atleten het programma zelfstandig laten interpreteren zonder enige uitleg

Question 32 of 63

 33. Welke trainingsfrequentie per spiergroep is evidence-based optimaal voor hypertrofie bij intermediate lifters? 

A

A. Om de dag maximal effort

B

B. 2–3× per week met verdeeld volume

C

C. 1× per week met hoog volume

D

D. Dagelijks trainen met laag volume

Question 33 of 63

34. Welk hulpmiddel is NIET genoemd als effectief voor het presenteren van een trainingsprogramma? 

 

A

Schriftelijke documentatie met gedetailleerde instructies

B

Digitale presentaties met multimedia-elementen

C

Mondelinge overlevering zonder enige documentatie

D

Video demonstraties van oefeningen en technieken

Question 34 of 63

 35. Welke methode om trainingszones vast te stellen is het meest geïndividualiseerd en fysiologisch valide voor duursporters? 

A

A. Talk test

B

B. Percentage van VO₂max

C

C. Percentage van maximale hartslag

D

D. Lactaattesten met bepaling van de aerobe en anaerobe drempel

Question 35 of 63

36. Wat is de primaire rol van het ATP-PC systeem in spierenergieproductie? 

 

A

Directe energie voor activiteiten met hoge intensiteit

B

Energievoorziening voor lange duur

C

Vetoxidatie

D

Eiwitsynthese

Question 36 of 63

37. Wat is het effect van high-intensity interval training (HIIT) op aerobe en anaerobe fitnessniveaus? 

 

A

Verlaagt alleen de aerobe capaciteit

B

Verhoogt alleen de anaerobe capaciteit

C

Verhoogt zowel aerobe als anaerobe capaciteiten

D

Heeft geen significant effect op beide

Question 37 of 63

38. Hoe past het principe van specificiteit toe op kracht- en conditioneringprogramma's? 

 

A

Door het trainingsprogramma regelmatig te variëren

B

Door specifieke energiesystemen en spiergroepen te richten relevant voor de sport

C

Alleen samengestelde oefeningen implementeren

D

Uitsluitend focussen op cardiovasculaire uithoudingsvermogen

Question 38 of 63

39. Welke voedingscomponent is het meest kritisch voor spierherstel en -groei? 

 

A

Koolhydraten

B

Vetten

C

Vitaminen

D

Eiwitten

Question 39 of 63

40. Hoe profiteert creatinesuppletie de anaerobe prestatie? 

A

Door de spier-pH te verlagen

B

Glycogeenopslag te verhogen

C

ATP-regeneratie te verbeteren

D

Zuurstofopname te verminderen

Question 40 of 63

41. Welke deze methodes kan gebruikt worden om de maximale zuurstofopname (VO2 max) van een atleet indirect te schatten? Welke

 

A

1RM bankdrukken

B

Cooper 12-minuten looptest

C

Analyse van lichaamssamenstelling

D

Wingate anaerobe test

Question 41 of 63

42. Welke rol speelt het endocriene systeem in het herstel na inspanning? 

 

A

Geen significante rol

B

Vertraagt het herstelproces

C

Reguleert hormonen die helpen bij het herstel

D

Verhoogt alleen cortisolniveaus

Question 42 of 63

43. Wat is het primaire mechanisme waardoor bèta-alaninesuppletie de prestatie verbetert? 

 

A

Vermindering van lactaatproductie

B

Verhoging van het aantal rode bloedcellen

C

Verbetering van de buffercapaciteit

D

Vermindering van ATP-synthese

Question 43 of 63

44. Welke recoverymodaliteit heeft de sterkste onderbouwing voor betere prestatie de volgende dag? 

A

A. IJsbad (cold water immersion)

B

B. Foam rolling

C

C. Voldoende slaap en adequate voeding

D

D. Compressiekledij

Question 44 of 63

45. Welke trainingsprincipe benadrukt het belang van het geleidelijk toenemen van de intensiteit en de belasting om voortdurende verbetering te bewerkstelligen? 

 

A

Specificiteit

B

Variatie

C

Progressie

D

Omkeerbaarheid

Question 45 of 63

46. Hoe wordt het principe van overload toegepast in krachttraining? 

 

A

Door de training makkelijker te maken naarmate de atleet sterker wordt

B

Door de belasting te verhogen boven het huidige niveau van de atleet

C

Door de hoeveelheid rust tussen de sets te vergroten

D

Door uitsluitend op één specifieke spiergroep te focussen

Question 46 of 63

 47. Welke nutritionele interventie heeft de sterkste evidence voor recovery tussen twee high-intensity sessies binnen 8 uur? 

A

A. Uitsluitend hydratatie met elektrolyten

B

B. Fasting om autofagie te stimuleren

C

C. High protein intake (40 g)

D

D. Koolhydraatinname (±1,2 g/kg/uur gedurende de eerste 4 uur) gecombineerd met eiwit

Question 47 of 63

48. Wat is een essentiële eerste stap in het kritische besluitvormingskader voordat nieuwe technologie in de sportpraktijk wordt geïmplementeerd?

A

Het bepalen of de beloofde informatie nuttig zal zijn

B

Het evalueren van de kosteneffectiviteit van de technologie

C

Het uitvoeren van een pilotstudie met de technologie

D

Het raadplegen van sportatleten over hun voorkeuren

Question 48 of 63

49. Welke factor is cruciaal om te overwegen bij het vertrouwen op informatie die door nieuwe sporttechnologie wordt verstrekt? 

 

A

De marketingstrategieën van de technologieaanbieder

B

De populariteit van de technologie onder topsporters

C

De gebruiksvriendelijkheid van de technologie

D

De aanwezigheid van wetenschappelijk bewijs dat de validiteit en betrouwbaarheid ondersteunt

Question 49 of 63

50. In het kader van een “control–chaos continuum” voor revalidatie: wat definieert de progressie? 

A

A. Van mentale naar fysieke training

B

B. Van individuele naar teamtraining

C

C. Van gecontroleerde, voorspelbare omgevingen naar complexere, onvoorspelbare sportspecifieke contexten

D

D. Van lage naar hoge belasting

Question 50 of 63

51.  Een coach merkt dat een atleet vaak overbelast raakt tijdens intensieve trainingsblokken. Welke aanpak sluit het beste aan bij een multifactorieel perspectief?

 

A

Analyseer bijkomende factoren zoals slaap, voeding, en mentale belasting, en pas het programma hierop aan.

B

Verlaag de intensiteit zonder andere factoren te evalueren.

C

Richt je op het verminderen van het trainingsvolume.

D

Stel de atleet gerust dat overbelasting normaal is in competitieve sport.

Question 51 of 63

52.  Een SWOT-analyse toont aan dat een wielrenner een sterke anaerobe capaciteit heeft, maar zwak is in langdurige inspanningen. Wat is de beste strategie om deze zwakte aan te pakken?

 

A

Blijf trainen op anaerobe capaciteit om een competitief voordeel te behouden.

B

Focus op duurtraining met een geleidelijke toename in intensiteit en volume.

C

Verander niets aan het huidige trainingsschema, omdat de sterke punten voldoende zijn.

D

Integreer meer rustdagen om overbelasting te voorkomen.

Question 52 of 63

53. Welke combinatie van principes is essentieel om een plateau in prestaties te doorbreken bij een ervaren krachttrainer?

A

Specificiteit en progressie.

B

Overload en reversibiliteit.

C

Individualisatie en overload.

D

Progressie en omkeerbaarheid.

Question 53 of 63

54. Wat is een van de belangrijkste redenen om een mesocyclus te gebruiken in een periodisatieprogramma?

 

A

Het laat toe om specifieke doelen te bereiken binnen een middellange termijn en progressieve belasting toe te passen.

B

Het elimineert de noodzaak van een microcyclus.

C

Het vervangt de noodzaak voor macrocycli en biedt meer flexibiliteit.

D

Het richt zich uitsluitend op herstel zonder intensieve belasting.

Question 54 of 63

55. Bij het analyseren van de trainingsgeschiedenis van een atleet om een nieuw programma te ontwerpen: welke metric is het meest relevant om de initiële trainingsbelasting te bepalen? 

A

A. Jaren trainingservaring

B

B. Het hoogste gewicht ooit getild

C

C. Lichaamssamenstelling

D

d. Recente trainingsbelasting én gebruikelijke trainingsbelasting (recent volume en baseline)

Question 55 of 63

56. Tijdens de intake van een 30-jarige triatleet merk je op dat de atleet regelmatig last heeft van knieklachten tijdens het hardlopen. Welke van de volgende opties is de beste benadering om deze informatie in het trainingsprogramma te verwerken?

A

Focus op zwemmen en fietsen om verdere knieklachten te vermijden.

B

Voeg krachttraining toe zonder het hardlopen te evalueren.

C

Implementeer een combinatie van bewegingsscreening, aangepaste looptechniek, en progressieve belasting voor het hardlopen.

D

Pas het trainingsprogramma niet aan, aangezien knieklachten een vaak voorkomend onderdeel van training zijn.

Question 56 of 63

57. Welke van de volgende aanpassingen is cruciaal bij het plannen van een periodisatieprogramma voor een marathonloper die werkt met een onregelmatig slaapschema door ploegendiensten?

A

Verminder het totale trainingsvolume en elimineer intensieve trainingen.

B

Plan de intensieve trainingssessies in periodes met voldoende herstelmogelijkheden en gebruik langere herstelcycli.

C

Gebruik een lineair schema zonder aanpassingen, zodat consistentie wordt bevorderd.

D

Voeg meer rustdagen toe zonder de trainingsintensiteit te wijzigen.

Question 57 of 63

58. Welke aanpak is het meest effectief om het risico op hamstringblessures bij sprinters te verminderen volgens de besproken principes?

A

Verhoog de trainingsintensiteit geleidelijk en integreer Nordic Hamstring Curls.

B

Beperk intensieve trainingssessies tot twee keer per week en focus op stretching.

C

Verhoog de flexibiliteit van de hamstrings met dynamische stretches.

D

Gebruik monitoringtechnologie om vermoeidheid in de hamstrings te signaleren.

Question 58 of 63

59. Wat is de belangrijkste overweging bij het integreren van technologie, zoals GPS-monitoring, in het programma van een professionele voetballer?

A

Gebruik technologie uitsluitend om wedstrijdprestaties te volgen.

B

Combineer technologie met bewegingsscreening om trainingsbelasting en blessurerisico’s beter te beheren.

C

Integreer technologie alleen tijdens intensieve trainingssessies om overbelasting te voorkomen.

D

Focus op het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens zonder directe toepassing in het trainingsprogramma.

Question 59 of 63

60. Wat is een cruciale overweging bij het gebruik van evidence-based methoden zoals Blood Flow Restriction (BFR) training voor herstel?

A

Pas BFR altijd toe bij elke atleet om de effectiviteit ervan te maximaliseren.

B

Beperk BFR-gebruik tot korte-termijn herstelperiodes en evalueer de individuele respons.

C

Gebruik BFR als vervanging voor traditionele krachttraining.

D

Voer geen verdere evaluatie uit na het integreren van BFR in een programma.

Question 60 of 63

61. Een coach stelt korte- en langetermijndoelen voor een gewichtheffer op. Welke benadering sluit het beste aan bij de principes van motivatie en zelfregulering?

A

Stel alleen langetermijndoelen om de focus te behouden.

B

Combineer specifieke korte- en langetermijndoelen en implementeer een beloningssysteem voor tussentijdse mijlpalen.

C

Stel geen prioriteiten en geef alle doelen evenveel aandacht.

D

Maak doelen flexibel zonder meetbare criteria om onnodige druk te vermijden.

Question 61 of 63

62.  Hoe kan een coach het beste omgaan met een zwakte die tijdens een SWOT-analyse is geïdentificeerd, zoals een gebrek aan core-stabiliteit bij een hardloper?

A

Negeer het probleem om het zelfvertrouwen van de atleet te beschermen.

B

Integreer een specifieke coretraining in het bestaande programma en monitor de voortgang.

C

Compenseer het gebrek aan core-stabiliteit door de trainingsintensiteit te verhogen.

D

Focus op andere sterke punten van de atleet.

Question 62 of 63

63. Welke factor beperkt doorgaans de prestatie bij 800 m het meest? 

A

A. Flexibiliteit

B

B. Maximale kracht

C

C. Lactaattolerantie en buffercapaciteit

D

D. VO₂max

Question 63 of 63

64. Bij “minimal dose” training om strength te onderhouden tijdens de in-seasonperiode: welke frequentie en intensiteit is evidence-based voldoende? 

A

A. 1–2× per week @ >80% intensiteit met gereduceerd volume

B

B. Dagelijks @ 40% intensiteit

C

C. 3× per week @ 60% intensiteit

D

D. Volledige stopzetting van strength training

Confirm and Submit